Tags: , , ,

Breed motorisch opleiden in het onderwijs – een kritische blik

» Blogs
» Pedagogiek

»

Breed motorisch opleiden in het onderwijs – een kritische blik

Breed Motorisch opleiden (BMO) richt zich eenzijdig op motorische resultaten en te weinig op het ontwikkelen van sociale en emotionele competenties waardoor met name minder vaardige bewegers dreigen af te haken. Hoe help je het kind in de wereld staan?

Bewegingsonderwijs verbeteren

Gelukkig is er steeds meer aandacht voor bewegen, gezondheid en motoriek. Niet alleen in vakliteratuur maar ook via webinars, scholingen en de lokale en landelijke media, wordt kennis en informatie gedeeld. Bewegen en gezondheid is hot. Steeds meer deskundigen, stakeholders, opiniemakers, schrijvers en andere belanghebbenden geven gevraagd en ongevraagd hun mening, al dan niet gebaseerd op (wetenschappelijke) kennis en gedreven/gemotiveerd door (eigen) belang. Belangen zoals: product- of kennisverkoop, waarschuwen van (delen van) de samenleving, beleid en gewin. Vraagt al die aandacht niet ook om een kritische blik?

Wanneer ik lees wat er op internet, in vakliteratuur en via andere media wordt beweerd en verkondigd over wat er zou moeten gebeuren om het aanleren van bewegen te verbeteren, schrik ik regelmatig. De aannames, beperkte onderzoeken en daaraan gekoppelde inzichten buitelen over elkaar heen.

In dit artikel plaats ik enkele kritische vragen bij inzichten en conclusies die worden getrokken en die volgens mij veelal verfijning behoeven.

Mijn scepsis komt voort uit eigen ervaringen, gesprekken met collega’s en literatuur die ik lees. Breed Motorisch Opleiden (BMO) definieer ik als aandacht voor een bre(e)d(er) scala aan motorische vaardigheden. Bijvoorbeeld binnen hockey niet alleen aandacht voor het pushen en stoppen van een hockeybal, maar juist ook aandacht voor wenden en keren en het belang van een goed evenwicht om dat goed te kunnen.

BMO wordt regelmatig bejubeld, waarbij de totale onderwijs- en mensvisie van de jubelaars buiten beeld blijft, of niet aanwezig is. Het lijkt dan net alsof (motorisch) opleiden vanzelf beter wordt als deze maar breed (genoeg) is. Ik zie ook vaak een vrij eenzijdig beeld met een sterke nadruk op cijfers en resultaat. Ik mis hierin de nuance van een bredere kijk op (motorische) ontwikkeling. Hoe wordt het kind geholpen om in de wereld te staan? Welke visie wordt uitgedragen? Deze visie blijft vaak onderbelicht. Uitwerking van een opleidings,- mens,- kind- visie is vaak beperkt of ontbreekt zelfs helemaal.

De claim van Breed Motorische Opleiden

In een overzichtsartikel uit 2020 schrijven Hoofwijk et al dat de breed motorische ontwikkeling (BMO) claim bij te dragen aan drie aspecten (Hoofwijk et al, 2020):

  • Een verbetering van de gezondheid,
  • een vergroting en/of verbreding van de sportparticipatie en
  • aan persoonlijke ontwikkeling.

Welke persoonlijke ontwikkeling wordt in dat artikel niet helemaal duidelijk.

Het Athletic Skills Model (ASM), Multimove, Eco-coach, Nijntje beweegdiploma, en Monkey Moves zijn voorbeelden van aanbieders die een programma verzorgen dat bijdraagt aan een brede motorische ontwikkeling. Het valt op dat de uitwerking van de diverse BMO-programma’s per aanbieder verschillend is.

  1. Mijn eerste kritische vraag is deze: Hoe wordt deze breed motorische ontwikkeling vormgegeven bij kinderen die minder plezier beleven aan bewegen. Bij kinderen die minder goed kunnen meekomen en moeite hebben om samen met andere kinderen te bewegen?
  2. Hoe breed is deze ontwikkeling daadwerkelijk? En is het aanbieden van (deze) bewegingsactiviteiten/oefeningen dan voldoende en welke activiteiten/oefeningen zijn dit dan precies? Zijn er ook minder geschikte activiteiten? Wat maakt activiteiten geschikt en waar is dit dan van afhankelijk?

Een sprong voorwaarts

Kenniscentrum sport & bewegen citeert, onder andere op haar website, Marieke van der Plas, directeur van de KNGU, die zegt dat ouders een sprong ervaren in de ontwikkeling van hun kind na het doorlopen van een BMO-programma. Over welke ontwikkeling gaat het dan? Gaat dat om motorische ontwikkeling? Cognitieve ontwikkeling of sociaal en emotionele ontwikkeling? Of alle drie? En was die sprong eerder niet zichtbaar? En hoe komt dat dan? Door het programma of door de trainers of door beide? Of enkel door het feit dat kinderen meer bewegen? Sommige programma’s leiden ook trainers op. Bij welke groepen worden deze trainers dan ingezet? Is daar beleid op gemaakt? Worden die trainers begeleid? Wat is dan het verschil tussen wel en niet opgeleide trainers? Hoe worden die verschillen erkent en eventueel ‘opgelost’?

Zijn de trainers die een dergelijk programma niet gevolgd hebben, minder in staat om breed op te leiden en wat zijn dan hun pedagogische, didactische en methodische tekorten? Is er enig wetenschappelijk bewijs dat een BMO-programma betere resultaten oplevert, dan een niet BMO-programma? En welke concrete resultaten zijn dit dan? En is het dan ook niet ‘logisch’ dat BMO-geschoolde trainers en begeleiders worden ingezet bij de jongste jeugd?
Het feit dat de beginnende, en vaak de minst ‘goede’ trainers de training geven aan de jongste, minst vaardige spelers bij een sportclub, is dit niet een veel grotere belemmering, dan het wel of niet breed motorisch opleiden van bijvoorbeeld de onder 8 voetballers?

Homo Adidas

BMO propageert een andere manier van denken over sporten, spelen en bewegen. Zo klinkt de visie die ASM uitdraagt in eerste instantie erg kindgericht. ‘Het ASM draagt bij aan een optimale (talent)ontwikkeling voor ieder kind en adolescent van elk bewegingsniveau. De leerling staat centraal in een andere manier van denken over bewegen. Hierdoor ontstaat een kwaliteitsslag in bewegen, wat leidt tot minder blessures, meer creativiteit en een verbetering van de fitheid.’

De MQ-scan, die zich baseert op het gedachtegoed van ASM, is meer uitgesproken in haar keuze. ‘Motoriek speelt een cruciale rol in de gezondheid van kinderen. MQ Scan heeft een unieke methode ontwikkeld om de motorische ontwikkeling van kinderen te meten én verbeteren in de basisschooltijd. Snel, simpel en betrouwbaar.’, zo is te lezen op de site.

Meer dan alleen bewegen

In dit verband wil ik de steeds populairder wordende physical literacy-gedachte (Whitehead, 2010) onder de aandacht brengen. Het tijdschrift Lichamelijke Opvoeding, nr.8 van 2019 is volledig gewijd aan dat thema. In dezelfde editie worden de uitgangspunten van de physical literacy-gedachte door Brouwer en Jacobs besproken. In een kritische verkenning onderzoeken ze welke meerwaarde dit concept kan hebben ten opzichte van ‘meervoudige deelnamebekwaamheid.’ In hoeverre leren kinderen meer dan alleen bewegen en worden ze dus ook bekwamer in bijvoorbeeld samenwerken, doorzetten, overleggen, structureren, nadenken, verbanden leggen etc.? als algemene doelstellingsformulering voor het bewegingsonderwijs. Om de vergelijking compleet te maken nemen zij de visie van Biesta en het concept Positive Youth Development in hun reflectie mee.

Brouwer en Jacobs komen tot de conclusie dat er voldoende aandacht wordt besteed aan de meervoudige deelnamebekwaamheid maar dat het domein subjectivering waarover Biesta, 2015) spreekt, nogal in de schaduw blijft. Het kind dat als het waren in de wereld, deze leert ontdekken, exploreren, bespelen en manipuleren.

Wat mij ook opvalt is dat persoonlijke ontwikkeling en sociaal/emotionele ontwikkeling uit elkaar worden gehaald door het kenniscentrum sport & bewegen. Is sociaal/emotionele ontwikkeling niet een onderdeel van de persoonlijke ontwikkeling, net als de fysieke, motorische en cognitieve ontwikkeling? Davids (2021) beweert dat de over-gestructureerde aanpak in ‘deliberate practise’ waarbij aanleren van motorische vaardigheden wordt opgedeeld in beheersbare delen en het zetten van een doel en hard werken belangrijk is, zorgt voor veel sport drop-outs. Hij pleit voor een meer ecologisch dynamische benadering waarbij de nadruk eerst op kinderen dient te liggen en dan pas op atleten. Kinderen die zich op hun eigen tempo niet alleen motorisch ontwikkelen. Die zich juist altijd ‘volledig’ ontwikkelen. Waarbij motorische, cognitieve, fysieke en sociaal/emotionele ontwikkeling elkaar continu beïnvloeden.

Plezier beleven

De claim dat een brede motorische ontwikkeling er voor zorgt dat ieder kind met plezier gaat en blijft sporten en bewegen, een leven lang, lijkt dan ook niet meer dan een deel van de waarheid. Als die ontwikkeling niet zo breed is, maar wel gericht op het eigen kunnen en eigen beleven, zal het kind en later de volwassene zijn leven lang blijven bewegen. Extra aandacht, extra plezier, niet alleen uit meer succes, maar ook uit herhaald succes en samen succes lijken van wezenlijk belang voor een levenslange deelname aan sportactiviteiten.

Zijn kinderen voor hun optimale ontwikkeling meer gebaat bij motorisch vaardigheden of juist ook bij sociale, cognitieve en mentale vaardigheden? Welke mate van vaardigheid is belangrijk? Is het belangrijk om daar een maat aan te hangen? En wie bepaalt dat uiteindelijk?

Hoe dan wel? Dat kan ik niet exact zeggen. Wel wordt mij helder dat ik de ontwikkelingen kritisch wil blijven bevragen op hun onderliggende uitgangspunten en hun geclaimde resultaten en successen. En daarbij mag zo af en toe best wat meer nuance worden aangebracht.

Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat initiatieven en inzichten soms wel heel gemakkelijk in de armen worden gesloten, zonder dat mensen zich afvragen in hoeverre deze nieuwe ontwikkelingen passen binnen hun eigen mens-, opleidings- en onderwijsvisie en de manier waarop je die vorm zou willen geven.


Bronnen:

Biesta, (2015). What is Education For? On Good Education, Teacher Judgement, and Educational Professionalism. European Journal of Education, January.
Brouwer, B., & Jacobs, F. (2019) Bewegingsonderwijs: Doen we nog de goede dingen? Een kritische reflectie op het bewegingsonderwijs vanuit drie perspectieven. Lichamelijke Opvoeding Magazine, 107 (8), blz. 6-1
Culp, B. (2020). Everyone matters; eliminating dehumanizing practices in physical education, Joperd nr. 1
Davids, K. (2021). Blowing the whistle on traditional sports coaching, Sheffield Hallam University.
Dekkers, M. (2006). Lichamelijke oefening. Amsterdam: Atlas Contact Uitgeverij.
Dijkhoff H. (2016). Motorisch leren, stand van zaken. Lichamelijke Opvoeding Magazine, 104 (7), blz. 6-7
Hadders-Algra, M. en Dirks, T. De motorische ontwikkeling van de zuigeling. Springer, 2000
Hoofwijk, M. et al (2020). Brede motorische ontwikkeling van kinderen Nut en noodzaak, Sportgericht nr. 6
Levine, J. (2007). Nonexercise activity thermogenesis. Liberating the life-force. Journal of Internal Medicine.
Mann, T. (2015). Secrets from the eating lab, Harper.
Chiara, V., de (2010). Voluntary exercise and sucrose consumption enhance cannabinoid CB1 receptor sensitivity in the striatum. Neuropsychopharmacology.
Platvoet, S., Teunissen, J.W., & Rözer, M. (2016, oktober). Bewegen moet je leren. Lichamelijke Opvoeding Magazine 104 (pp. 34-37)
Safron, C. en Landli, D. (2021). Beyond the beebs; affect, Fitness Gram®, and diverse youth, Sport, Education and Society.
Savelsbergh, G. en Hoeboer, J. (2021). Leer bewegen! Motorisch leren voor de praktijk, Haaksbergen: Hassink.
Whitehead, M. (2010). The Concept of Physical Literacy. In M. Whitehead (Ed.), Physical Literacy throughout the Life Course (pp. 10-20). Abingdon, Oxford: Routledge.

Tags: , , ,
Je moet inloggen om een reactie te kunnen plaatsen.

Ook interessant

Community Leden

Alle Leden >>>

Whitepaper arbeidsmarkt

Whitepaper onderwijs arbeidsmarkt

Whitepaper digitale toepassing didactiek

didactiek download

Whitepaper HR

HR download onderwijs

Whitepaper Hybride leeromgeving

Leeromgeving download

Whitepaper maatschappij

Maatschappij onderwijs download

Whitepaper onderwijsontwikkeling

onderwijsontwikkeling download

Whitepaper effectief afstandsonderwijs

Onderwijs organiseren download

Whitepaper professionalisering

onderwijs professionalisering download

Whitepaper Docent de dupe van technologie

Onderwijs Technologie download

Onderwijs Innovatie Festival

Registreer je als lid

Log In

Word Gratis Lid

Word lid

Met Onderwijscommunity maken we het werkveld iedere dag een stukje beter en mooier. Meld je gratis aan als lid, maak verbinding, haal én breng kennis, maak je eigen ledenprofiel, connect met andere leden en meer.

Publiceer

Heb je een uniek en interessant artikel geschreven en denk je dat deze interessant kan zijn voor de leden van Onderwijscommunity? Stuur deze dan in via het formulier en wij gaan er mee aan de slag.

Advertentie

In de spotlight

Vacature

Boek

Kalender

App

Bewegingsonderwijs verbeteren

Gelukkig is er steeds meer aandacht voor bewegen, gezondheid en motoriek. Niet alleen in vakliteratuur maar ook via webinars, scholingen en de lokale en landelijke media, wordt kennis en informatie gedeeld. Bewegen en gezondheid is hot. Steeds meer deskundigen, stakeholders, opiniemakers, schrijvers en andere belanghebbenden geven gevraagd en ongevraagd hun mening, al dan niet gebaseerd op (wetenschappelijke) kennis en gedreven/gemotiveerd door (eigen) belang. Belangen zoals: product- of kennisverkoop, waarschuwen van (delen van) de samenleving, beleid en gewin. Vraagt al die aandacht niet ook om een kritische blik?

Wanneer ik lees wat er op internet, in vakliteratuur en via andere media wordt beweerd en verkondigd over wat er zou moeten gebeuren om het aanleren van bewegen te verbeteren, schrik ik regelmatig. De aannames, beperkte onderzoeken en daaraan gekoppelde inzichten buitelen over elkaar heen.

In dit artikel plaats ik enkele kritische vragen bij inzichten en conclusies die worden getrokken en die volgens mij veelal verfijning behoeven.

Mijn scepsis komt voort uit eigen ervaringen, gesprekken met collega’s en literatuur die ik lees. Breed Motorisch Opleiden (BMO) definieer ik als aandacht voor een bre(e)d(er) scala aan motorische vaardigheden. Bijvoorbeeld binnen hockey niet alleen aandacht voor het pushen en stoppen van een hockeybal, maar juist ook aandacht voor wenden en keren en het belang van een goed evenwicht om dat goed te kunnen.

BMO wordt regelmatig bejubeld, waarbij de totale onderwijs- en mensvisie van de jubelaars buiten beeld blijft, of niet aanwezig is. Het lijkt dan net alsof (motorisch) opleiden vanzelf beter wordt als deze maar breed (genoeg) is. Ik zie ook vaak een vrij eenzijdig beeld met een sterke nadruk op cijfers en resultaat. Ik mis hierin de nuance van een bredere kijk op (motorische) ontwikkeling. Hoe wordt het kind geholpen om in de wereld te staan? Welke visie wordt uitgedragen? Deze visie blijft vaak onderbelicht. Uitwerking van een opleidings,- mens,- kind- visie is vaak beperkt of ontbreekt zelfs helemaal.

De claim van Breed Motorische Opleiden

In een overzichtsartikel uit 2020 schrijven Hoofwijk et al dat de breed motorische ontwikkeling (BMO) claim bij te dragen aan drie aspecten (Hoofwijk et al, 2020):

  • Een verbetering van de gezondheid,
  • een vergroting en/of verbreding van de sportparticipatie en
  • aan persoonlijke ontwikkeling.

Welke persoonlijke ontwikkeling wordt in dat artikel niet helemaal duidelijk.

Het Athletic Skills Model (ASM), Multimove, Eco-coach, Nijntje beweegdiploma, en Monkey Moves zijn voorbeelden van aanbieders die een programma verzorgen dat bijdraagt aan een brede motorische ontwikkeling. Het valt op dat de uitwerking van de diverse BMO-programma’s per aanbieder verschillend is.

  1. Mijn eerste kritische vraag is deze: Hoe wordt deze breed motorische ontwikkeling vormgegeven bij kinderen die minder plezier beleven aan bewegen. Bij kinderen die minder goed kunnen meekomen en moeite hebben om samen met andere kinderen te bewegen?
  2. Hoe breed is deze ontwikkeling daadwerkelijk? En is het aanbieden van (deze) bewegingsactiviteiten/oefeningen dan voldoende en welke activiteiten/oefeningen zijn dit dan precies? Zijn er ook minder geschikte activiteiten? Wat maakt activiteiten geschikt en waar is dit dan van afhankelijk?

Een sprong voorwaarts

Kenniscentrum sport & bewegen citeert, onder andere op haar website, Marieke van der Plas, directeur van de KNGU, die zegt dat ouders een sprong ervaren in de ontwikkeling van hun kind na het doorlopen van een BMO-programma. Over welke ontwikkeling gaat het dan? Gaat dat om motorische ontwikkeling? Cognitieve ontwikkeling of sociaal en emotionele ontwikkeling? Of alle drie? En was die sprong eerder niet zichtbaar? En hoe komt dat dan? Door het programma of door de trainers of door beide? Of enkel door het feit dat kinderen meer bewegen? Sommige programma’s leiden ook trainers op. Bij welke groepen worden deze trainers dan ingezet? Is daar beleid op gemaakt? Worden die trainers begeleid? Wat is dan het verschil tussen wel en niet opgeleide trainers? Hoe worden die verschillen erkent en eventueel ‘opgelost’?

Zijn de trainers die een dergelijk programma niet gevolgd hebben, minder in staat om breed op te leiden en wat zijn dan hun pedagogische, didactische en methodische tekorten? Is er enig wetenschappelijk bewijs dat een BMO-programma betere resultaten oplevert, dan een niet BMO-programma? En welke concrete resultaten zijn dit dan? En is het dan ook niet ‘logisch’ dat BMO-geschoolde trainers en begeleiders worden ingezet bij de jongste jeugd?
Het feit dat de beginnende, en vaak de minst ‘goede’ trainers de training geven aan de jongste, minst vaardige spelers bij een sportclub, is dit niet een veel grotere belemmering, dan het wel of niet breed motorisch opleiden van bijvoorbeeld de onder 8 voetballers?

Homo Adidas

BMO propageert een andere manier van denken over sporten, spelen en bewegen. Zo klinkt de visie die ASM uitdraagt in eerste instantie erg kindgericht. ‘Het ASM draagt bij aan een optimale (talent)ontwikkeling voor ieder kind en adolescent van elk bewegingsniveau. De leerling staat centraal in een andere manier van denken over bewegen. Hierdoor ontstaat een kwaliteitsslag in bewegen, wat leidt tot minder blessures, meer creativiteit en een verbetering van de fitheid.’

De MQ-scan, die zich baseert op het gedachtegoed van ASM, is meer uitgesproken in haar keuze. ‘Motoriek speelt een cruciale rol in de gezondheid van kinderen. MQ Scan heeft een unieke methode ontwikkeld om de motorische ontwikkeling van kinderen te meten én verbeteren in de basisschooltijd. Snel, simpel en betrouwbaar.’, zo is te lezen op de site.

Meer dan alleen bewegen

In dit verband wil ik de steeds populairder wordende physical literacy-gedachte (Whitehead, 2010) onder de aandacht brengen. Het tijdschrift Lichamelijke Opvoeding, nr.8 van 2019 is volledig gewijd aan dat thema. In dezelfde editie worden de uitgangspunten van de physical literacy-gedachte door Brouwer en Jacobs besproken. In een kritische verkenning onderzoeken ze welke meerwaarde dit concept kan hebben ten opzichte van ‘meervoudige deelnamebekwaamheid.’ In hoeverre leren kinderen meer dan alleen bewegen en worden ze dus ook bekwamer in bijvoorbeeld samenwerken, doorzetten, overleggen, structureren, nadenken, verbanden leggen etc.? als algemene doelstellingsformulering voor het bewegingsonderwijs. Om de vergelijking compleet te maken nemen zij de visie van Biesta en het concept Positive Youth Development in hun reflectie mee.

Brouwer en Jacobs komen tot de conclusie dat er voldoende aandacht wordt besteed aan de meervoudige deelnamebekwaamheid maar dat het domein subjectivering waarover Biesta, 2015) spreekt, nogal in de schaduw blijft. Het kind dat als het waren in de wereld, deze leert ontdekken, exploreren, bespelen en manipuleren.

Wat mij ook opvalt is dat persoonlijke ontwikkeling en sociaal/emotionele ontwikkeling uit elkaar worden gehaald door het kenniscentrum sport & bewegen. Is sociaal/emotionele ontwikkeling niet een onderdeel van de persoonlijke ontwikkeling, net als de fysieke, motorische en cognitieve ontwikkeling? Davids (2021) beweert dat de over-gestructureerde aanpak in ‘deliberate practise’ waarbij aanleren van motorische vaardigheden wordt opgedeeld in beheersbare delen en het zetten van een doel en hard werken belangrijk is, zorgt voor veel sport drop-outs. Hij pleit voor een meer ecologisch dynamische benadering waarbij de nadruk eerst op kinderen dient te liggen en dan pas op atleten. Kinderen die zich op hun eigen tempo niet alleen motorisch ontwikkelen. Die zich juist altijd ‘volledig’ ontwikkelen. Waarbij motorische, cognitieve, fysieke en sociaal/emotionele ontwikkeling elkaar continu beïnvloeden.

Plezier beleven

De claim dat een brede motorische ontwikkeling er voor zorgt dat ieder kind met plezier gaat en blijft sporten en bewegen, een leven lang, lijkt dan ook niet meer dan een deel van de waarheid. Als die ontwikkeling niet zo breed is, maar wel gericht op het eigen kunnen en eigen beleven, zal het kind en later de volwassene zijn leven lang blijven bewegen. Extra aandacht, extra plezier, niet alleen uit meer succes, maar ook uit herhaald succes en samen succes lijken van wezenlijk belang voor een levenslange deelname aan sportactiviteiten.

Zijn kinderen voor hun optimale ontwikkeling meer gebaat bij motorisch vaardigheden of juist ook bij sociale, cognitieve en mentale vaardigheden? Welke mate van vaardigheid is belangrijk? Is het belangrijk om daar een maat aan te hangen? En wie bepaalt dat uiteindelijk?

Hoe dan wel? Dat kan ik niet exact zeggen. Wel wordt mij helder dat ik de ontwikkelingen kritisch wil blijven bevragen op hun onderliggende uitgangspunten en hun geclaimde resultaten en successen. En daarbij mag zo af en toe best wat meer nuance worden aangebracht.

Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat initiatieven en inzichten soms wel heel gemakkelijk in de armen worden gesloten, zonder dat mensen zich afvragen in hoeverre deze nieuwe ontwikkelingen passen binnen hun eigen mens-, opleidings- en onderwijsvisie en de manier waarop je die vorm zou willen geven.


Bronnen:

Biesta, (2015). What is Education For? On Good Education, Teacher Judgement, and Educational Professionalism. European Journal of Education, January.
Brouwer, B., & Jacobs, F. (2019) Bewegingsonderwijs: Doen we nog de goede dingen? Een kritische reflectie op het bewegingsonderwijs vanuit drie perspectieven. Lichamelijke Opvoeding Magazine, 107 (8), blz. 6-1
Culp, B. (2020). Everyone matters; eliminating dehumanizing practices in physical education, Joperd nr. 1
Davids, K. (2021). Blowing the whistle on traditional sports coaching, Sheffield Hallam University.
Dekkers, M. (2006). Lichamelijke oefening. Amsterdam: Atlas Contact Uitgeverij.
Dijkhoff H. (2016). Motorisch leren, stand van zaken. Lichamelijke Opvoeding Magazine, 104 (7), blz. 6-7
Hadders-Algra, M. en Dirks, T. De motorische ontwikkeling van de zuigeling. Springer, 2000
Hoofwijk, M. et al (2020). Brede motorische ontwikkeling van kinderen Nut en noodzaak, Sportgericht nr. 6
Levine, J. (2007). Nonexercise activity thermogenesis. Liberating the life-force. Journal of Internal Medicine.
Mann, T. (2015). Secrets from the eating lab, Harper.
Chiara, V., de (2010). Voluntary exercise and sucrose consumption enhance cannabinoid CB1 receptor sensitivity in the striatum. Neuropsychopharmacology.
Platvoet, S., Teunissen, J.W., & Rözer, M. (2016, oktober). Bewegen moet je leren. Lichamelijke Opvoeding Magazine 104 (pp. 34-37)
Safron, C. en Landli, D. (2021). Beyond the beebs; affect, Fitness Gram®, and diverse youth, Sport, Education and Society.
Savelsbergh, G. en Hoeboer, J. (2021). Leer bewegen! Motorisch leren voor de praktijk, Haaksbergen: Hassink.
Whitehead, M. (2010). The Concept of Physical Literacy. In M. Whitehead (Ed.), Physical Literacy throughout the Life Course (pp. 10-20). Abingdon, Oxford: Routledge.

Menu